Risicorichtlijnen
Financiers

Richtlijnen

Op deze pagina vindt u het beleid van WSW met betrekking tot diverse onderdelen van het risicomanagement. Deelnemende corporaties zijn verplicht  zich hieraan te conformeren.
 

Sinds 1 januari 2011 mag WSW alleen leningen borgen voor activiteiten die te beschouwen zijn als Diensten van Algemeen Economisch Belang (DAEB). Dat is een direct gevolg van de op die datum in werking getreden ‘Tijdelijke regeling diensten van algemeen economisch belang toegelaten instellingen volkshuisvesting’.
Het borgingsplafond van een corporatie is de maximale omvang van de geborgde leningportefeuille van een corporatie gedurende het betreffende kalenderjaar. Voor borging door WSW komen alleen activiteiten in aanmerking die behoren tot de bestedingsdoelen.
WSW ziet erop toe dat een deelnemer de door WSW geborgde leningen ook daadwerkelijk besteedt aan borgbare activiteiten. Regelgeving rondom staatssteun en afspraken met de achtervangers vormen hiervoor de aanleiding. Daarnaast beoordeelt WSW of een deelnemer voldoende, maar niet teveel, liquide middelen aanhoudt.
Deelnemers betalen voor de dienstverlening van WSW een borgstellingsvergoeding. Per kwartaal is dat 69 euro per geborgde miljoen euro. Voor oudere leningen geldt een andere methode.
WSW wil dat corporaties de beschikbare middelen in het borgstelsel zo efficiënt mogelijk inzetten. Om die reden ondersteunen wij de mogelijkheid dat corporaties overtollige liquide middelen tijdelijk uit kunnen lenen aan andere corporaties die financiering nodig hebben (collegiale leningen).
Gebruikmakend van de borgstelling door WSW kunnen deelnemende corporaties leningen aantrekken tegen gunstige voorwaarden. Maar corporaties kunnen ook redenen hebben om leningen aan te trekken die WSW niet borgt. In dat geval is echter wel degelijk toestemming van WSW vereist.
Deelnemende corporaties kunnen derivaten gebruiken om hun renterisico’s te beheersen. Het gebruik van derivaten kan ook (liquiditeits)risico’s met zich mee brengen. WSW stelt daarom voorwaarden aan het gebruik ervan.
Deelnemende corporaties kunnen hun activiteiten uit verschillende bronnen financieren. Naast het aantrekken van leningen kunnen zij hiervoor ook zogenaamde eigen middelen gebruiken.
Als corporaties willen fuseren, gaan bestaande borgstellingen over naar een andere rechtspersoon. Het risicoprofiel van de nieuwe (‘andere’) rechtspersoon kan afwijken van het risicoprofiel van de afzonderlijke corporaties.
Van belang is dat corporaties voldoende faciliteiten hebben om fluctuaties op te vangen in de behoefte aan werkkapitaal. Een corporatie kan hiervoor gebruik maken van zogenaamde kortgeldfaciliteiten.
WSW vraagt deelnemers onderpand voor de te borgen en geborgde leningen. WSW kan maximaal borg staan voor een leningportefeuille die een waarde heeft van ten hoogste 50% van de WOZ-waarde van het totale door de deelnemer ingezette onderpand.
WSW hanteert een maximaal rentepercentage dat corporaties voor af te sluiten leningen mogen afspreken. Hiermee wil WSW voorkomen dat borgstelling plaatsvindt voor leningen met een hogere rente dan strikt noodzakelijk, gelet op de op dat moment geldende markttarieven.
Om leningen te kunnen borgen hanteert WSW standaard leningovereenkomsten. Deze zijn vastgesteld in overleg met de financiers en de achtervangers. Uit oogpunt van eenduidigheid, transparantie en efficiëntie hanteert WSW een ‘plain vanilla’-beleid als het gaat om mogelijke leningvormen.
Vanuit het oogpunt van de beheersing van de risico’s in het stelsel vindt WSW het gewenst om te beschikken over een notariële “overeenkomst tot lastgeving met privatieve werking/onherroepelijke volmacht”, vaak afgekort tot “volmacht”.
WSW constateert bij een aantal corporaties dat er risico’s verbonden kunnen zijn aan dit soort verkopen voor zowel de individuele corporatie als voor de draagkracht van het borgstelsel (weglekken van vermogen).