Borgstellingsvergoeding
Corporaties

Borgstellingsvergoeding

Deelnemers betalen voor de dienstverlening van WSW een borgstellingsvergoeding. Deelnemers betalen deze vergoeding voor operationele kosten en voor opslag kredietrisico bij het aangaan van geborgde financiering.
Met ingang van 1 januari 2017 hanteren wij een systeem van premiedifferentiatie voor deze borgstellingsvergoeding. Hiermee sluiten wij aan de brief van de minister voor Wonen en Rijksdienst aan de Tweede Kamer van 17 mei 2016 en bij de motie van de Tweede Kamer over premiedifferentiatie.

Facturering

Deelnemers krijgen aan het einde van elk kwartaal hiervoor een factuur. WSW berekent de borgstellingsvergoeding dan over de leningenstand van het voorafgaande kwartaal.

Tarieven

De systematiek die wij hanteren voor de premiedifferentiatie sluit aan bij ons risicobeoordelingsmodel. Vanaf 1 januari 2017 plaatst WSW zijn deelnemers op basis van hun risicoprofiel in vier verschillende tariefgroepen. De bepaling van de tariefgroep gebeurt voor het gehele kalenderjaar op basis van het risicoprofiel van de deelnemer op 31 december van het voorgaande jaar. De berekening is budgetneutraal voor de sector.

De vier tarieven komen in de plaats van het oude uniforme tarief van 0,0069% van het geborgd schuldrestant per kwartaal. Deelnemers in de meest gunstige tariefgroep betalen per kwartaal vanaf 1 januari 0,0055% van het geborgd schuldrestant. Deelnemers in de tweede, derde en vierde groep betalen respectievelijk 0,0061%, 0,0075% en 0,0082%. 

Grondslag 

De grondslag voor de vergoeding is het schuldrestant van de geborgde lening aan het einde van het kwartaal. Corporaties zijn de borgstellingsvergoeding verschuldigd op het moment dat zij een lening gestort krijgen.

Er zijn twee uitzonderingen op deze methode.

  • Voor het type lening met variabele hoofdsom betalen deelnemers borgstellingsvergoeding over 75% van de maximale hoofdsom.
  • Voor collegiale financieringen betalen deelnemers borgstellingsvergoeding over 1/3 van het schuldrestant.

Leningen van na 1 juli 2007

De borgstellingsvergoeding geldt voor leningen die WSW heeft geborgd na 1 juli 2007 en voor gevrijwaarde leningen die na 1 juli 2007 een aanvang 21ste jaar kennen. Er geldt één tarief dat over het actuele schuldrestant wordt berekend.

Leningen van vóór 1 juli 2007

Voor de berekening van de borgstellingsvergoeding tellen de geborgde leningen die vóór 1 juli 2007 zijn ondertekend door WSW niet mee. Er zijn twee uitzonderingen:

  • Vrijwaringsleningen waar volgens het vorige tarievenstelsel van vóór 1 juli 2007 tariefgroep 2 van toepassing was en die een aanvang 21e jaar kennen na 1 juli 2007.
  • Nieuwe te borgen leningen die een ‘zuivere’ vervolg- of herfinanciering zijn van eerder geborgde leningen van vóór 1 juli 2007. In het Reglement van Deelneming artikel 21, lid 4 staat wanneer sprake is van een zuivere herfinanciering.

Voor gevrijwaarde leningen die na 1 juli 2007 een aanvang 21ste jaar kennen betalen deelnemers een borgstellingsvergoeding volgens de huidige methode: per kwartaal een factuur over het actuele schuldrestant.

Voor gevrijwaarde leningen die vóór 1 juli 2007 de aanvang van het 21ste jaar hadden, is de verschuldigde vergoeding al vooraf betaald. Deze leningen worden dus niet meegenomen in de huidige wijze van berekening en facturering van borgstellingsvergoeding.

Aanvang 21ste jaar

Het 21ste jaar begint te tellen vanaf het moment dat de oorspronkelijke lening is afgesloten. Dit heeft vooral gevolgen voor annuïtaire (of lineaire) gevrijwaarde leningen die een vervolgfinanciering zijn op fixeleningen van eind jaren tachtig. Deze fixeleningen zijn vaak aangegaan voor een langere tijd dan het contract zelf en voorzagen in een vervolgfinanciering. Voor deze leningen geldt dus niet de aanvang van het latere contract, maar de aanvang van de oorspronkelijke lening voor het berekenen van het 21ste jaar.