Aflossingsfictie
Met een fictieve aflossing creëert het WSW ruimte in de operationele kasstromen om leningen af te lossen. Voor elk prognosejaar in de meest recente dPi (niet ouder dan 18 maanden) afzonderlijk geldt de volgende berekening. De operationele kasstroom, berekend volgens het CorpoData model, wordt vermeerderd met:
- rente-uitgaven toe te rekenen aan investeringen
- geactiveerde productie ten behoeve van eigen bedrijf (verkoop, sloop, nieuwbouw, aankoop en woningverbetering) volgens de toelichting op het kasstroomoverzicht, onderdeel a respectievelijk b.
en verminderd met:
- 2% over de stand van de schuldrestanten per einde van het jaar daarvoor.
De vijf afzonderlijke prognosejaren bij elkaar opgeteld moeten positief zijn.
Achtergrond
De fictie van 2% aflossing is gebaseerd op de eindigheid van de exploitatieduur van woningen. Het is algemeen aanvaard in de sociale huursector dat men bij een nieuwe sociale huurwoning bij aanvang met een exploitatieduur van 50 jaar rekening houdt. Verder zijn/worden de investeringen van de deelnemers nagenoeg geheel met vreemd vermogen gefinancierd. De feitelijke aflossingen op sectorniveau verliepen jaarlijks redelijk constant, op een niveau van circa 2%.
Toepassing
Voor de risicobeoordeling wordt de (ontwikkeling in de) operationele kasstromen na 2% aflossingsfictie over de vijf prognosejaren bekeken. Is de kasstroom onvoldoende voor de 2% aflossingsfictie of is de tendens van de kasstromen negatief dan worden er in de regel beperkingen (claims) opgelegd aan het toegekende faciliteringsvolume. Een voorbeeld van een mogelijke beperking is dat het faciliteringsvolume wordt beperkt tot de komende twee prognosejaren in plaats van drie.
